10. Omgevingsrecht – Algemene wet bestuursrecht (1)

Definities van sommige begrippen en bepalingen over besluiten (hoofdstukken 1 t/m 4 van de Algemene wet bestuursrecht)

***

De Algemene wet bestuursrecht

De Algemene wet bestuursrecht (‘Awb’) zijn we in de hoofdstukken over het systeem van het bestuursrecht al regelmatig tegengekomen. Dat spreekt vanzelf want de Awb is de centrale wet in het bestuursrecht, en dus in het omgevingsrecht.

In dit en het volgende hoofdstuk zullen we de Awb bespreken voor zover deze met name voor het omgevingsrecht van belang is. We beginnen met een overzicht van de inhoud van de Awb.

Overzicht

De Awb bestaat uit 11 hoofdstukken:

1. Inleidende bepalingen
2. Verkeer tussen burgers en bestuursorganen
3. Algemene bepalingen over besluiten
4. Bijzondere bepalingen over besluiten
5. Handhaving
6. Algemene bepalingen over bezwaar en beroep
7. Bijzondere bepalingen over bezwaar en administratief beroep
8. Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter
9. Klachtbehandeling
10. Bepalingen over bestuursorganen
11. Slotbepalingen

In dit hoofdstuk zullen we met name de hoofdstukken 1, 2, 3 en 4 kort bespreken. In het volgende hoofdstuk gaan we in op de hoofdstukken 6, 7 en 8 van de Awb.

Hoofdstuk 1 – Inleidende bepalingen

In dit hoofdstuk worden onder andere definities gegeven van belangrijke begrippen. Sommige kwamen we in vorige hoofdstukken al tegen. Het gaat onder andere om de volgende begrippen:

bestuursorgaan, belanghebbende, besluit, beschikking, beleidsregel, bestuursrechter, hogerberoepsrechter, het maken van bezwaar en het instellen van (administratief) beroep.

Hoofdstuk 2 – Verkeer tussen burgers en bestuursorganen

Dit hoofdstuk handelt met name over het verkeer (de communicatie) tussen overheid en burger. Onderwerpen die daarbij worden geregeld, zijn onder andere: het gebruik van de Nederlandse taal en het gebruik van e-mail. Ook is bepaald dat het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid dient te vervullen (art. 2:4, lid 1).

Hoofdstuk 3 – Algemene bepalingen over besluiten

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

In dit hoofdstuk zijn enkele algemene beginselen van behoorlijk bestuur (‘abbb’) vastgelegd. We noemen er enkele:

– art. 3:2: “Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.” (ook wel het zorgvuldigheidsbeginsel genoemd)

– art. 3:3: “Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.” (ook wel genoemd het ‘verbod van d├ętournement de pouvoir’)

– art. 3:4, lid 2: “De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. “ (ook wel het ‘evenredigheidsbeginsel’ genoemd)

– art. 3:46: “Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.” (ook wel het ‘motiveringsbeginsel’ genoemd)

Dit zijn niet de enige abbb. Naast de genoemde staan elders in de Awb nog andere abbb (zie o.a. het hiervoor genoemde ‘verbod van vooringenomenheid’: art. 2:4, lid 1). Ook staan er abbb in andere wetten en zijn er ongeschreven abbb.

Bestuursorganen dienen zich bij de uitvoering van hun taak, en dus bij het nemen van besluiten, in principe aan deze beginselen te houden.

Uniforme openbare voorbereidingsprocedure

In hoofdstuk 3 wordt in afdeling 3.4 de bekende ‘uniforme openbare voorbereidingsprocedure’ (‘uov’) beschreven. Dat is een procedure die bestuursorganen moeten toepassen bij de voorbereiding van hun besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift is bepaald (art. 3:10, lid 1).

In veel omgevingsrechtelijke wetten wordt deze procedure van toepassing verklaard.

Is de uov van toepassing dan dienen bestuursorganen een ontwerp van hun besluit ter inzage te leggen. Zij dienen die terinzagelegging bekend te maken in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze (art. 3:13, lid 1). Soms ook in de Staatscourant (lid 2).

Belanghebbenden kunnen met betrekking tot het ontwerpbesluit zienswijzen indienen (art. 3:15, lid 1). Dat betekent dat zij daarover hun mening kunnen uitspreken. Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze naar voren te brengen (lid 2). In dat laatste geval wordt veelal aan ‘eenieder’ die gelegenheid gegeven.

Een voorbeeld is art. 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (‘Wro’) dat bepaald dat door ‘eenieder’ zienswijzen omtrent het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad naar voren kunnen worden gebracht. In datzelfde artikel (3.8 Wro) is de uov van toepassing verklaard op de voorbereiding van een bestemmingsplan.

Bekendmaking van besluiten

Afdeling 3.6 van de Awb geeft voorschriften over de bekendmaking van besluiten. Bekendmaking is o.a. van belang omdat art. 3:40 bepaalt dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt.

Hoofdstuk 4 – Bijzondere bepalingen over besluiten

Beschikkingen

Dit hoofdstuk geeft onder andere voorschriften over beschikkingen (zoals vergunningen): hoe deze aan te vragen, wat de beslistermijn is, de bekende (door het bestuursorgaan te verbeuren) ‘dwangsom bij niet tijdig beslissen’ en andere gevolgen van niet tijdig beslissen.

Andere onderwerpen

Andere onderwerpen in hoofdstuk 4 zijn: subsidies, beleidsregels en bestuurlijke geldschulden.


Ga naar:
vorige hoofdstuk
volgende hoofdstuk
inhoudsopgave