EUROPA – Polexit en het voorrangsbeginsel

voorrangsbeginselPolen ligt op ramkoers met de Europese Unie, zo bleek deze week weer. Nadat de Poolse rechter op 14 juli 2021 al in was gegaan tegen een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, was het afgelopen week weer raak : op 7 oktober 2021 oordeelde het Poolse Constitutioneel Hof dat het Poolse recht in een aantal gevallen boven het Europese recht gaat. Hetgeen bij ons de vraag opriep : hoe zat dat ook alweer met de relatie tussen het Europese recht en het nationale recht?

Voorrangsbeginsel

Het zogenaamde ‘primaat’ van het Europese recht is lange tijd geen vanzelfsprekendheid geweest. Dat primaat is allengs tot de Europese en diverse nationale rechtsorden gaan behoren op grond van Europese en nationale rechtspraak.

Bij deze rechtspraak gaat het om twee beginselen, waarvan de werking steeds nader is uitgelegd:

  • de rechtstreekse werking van het Europese recht in de nationale rechtsorden,
  • de voorrang van de Europese recht boven het nationale recht (‘voorrangsbeginsel).

Rechtstreekse werking internationaal recht

Over het eerste beginsel hebben we eerder al geschreven. Dat beginsel maakt in principe geen onderscheid tussen de verschillende soorten van internationaalrechtelijke verdragen. Nederland is betrokken bij vele van dergelijke verdragen (bijv. het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het Europees Sociaal Handvest en, dus, de verdragen van de Europese Unie).

Onze Grondwet kent sinds 1953 bepalingen over de werking van dergelijke verdragen in de Nederlandse rechtsorde. Zo luidde artikel 65 van de toenmalige Grondwet:

“Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, wanneer deze niet verenigbaar zou zijn met overeenkomsten, die hetzij vóór, hetzij na de totstandkoming der voorschriften zijn bekend gemaakt overeenkomstig artikel 66.”

En artikel 66 bepaalde:

“De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van overeenkomsten. De overeenkomsten verbinden een ieder, voorzover zij zijn bekend gemaakt.”

Uit artikel 65 is het huidige artikel 94 ontstaan, en uit artikel 66 het huidige artikel 93.

Deze bepalingen vormen dan ook het algemene uitgangspunt bij de werking van het internationale recht in Nederland.

Europese ontwikkelingen

Met betrekking tot het Europese recht – het recht van de EU (of destijds : ‘EEG’) – is een specifieke ontwikkeling tot stand gekomen die verder gaat dan de artt. 93 en 94 van de Grondwet. We beschrijven die ontwikkelingen aan de hand van enkele uitspraken.

Arrest ‘Van Gend en Loos’ (1963)

Dit arrest (pdf) handelde over de rechtstreekse werking van het Europese recht. Het Europese Hof van Justitie (‘HvJ’) oordeelde:

  • het EEG-verdrag kan rechtstreekse werking hebben. De burger kan daar bij de nationale rechter een beroep op doen,
  • de Europese rechtsorde is een nieuwe en specifieke supranationale rechtsorde waaraan de verdragspartijen een deel van hun soevereiniteit hebben afgestaan.

Bij deze rechtstreekse werking gaat het zowel om verticale werking (tussen overheid en particulier) als om horizontale werking (tussen particulieren).

In nadere rechtspraak oordeelde het HvJ dat ook secundair Europees recht rechtstreekse werking kon hebben. Daarbij moet worden gedacht aan verordeningen (zie ook art. 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), en – onder omstandigheden – ook richtlijnen. Zie in dat laatste verband de volgende uitspraak:

Arrest Marshall-I (1986)

Volgens dit arrest komt aan Europese richtlijnen verticale rechtstreekse werking toe indien:

  • de nationale staat verzuimt om de richtlijn tijdig om te zetten in nationale wetgeving,
  • of indien die omzetting onjuist is gebeurd.

(zie ook : de arresten Van Duyn uit 1974 en Ratti uit 1979).

Arrest Costa / ENEL (1964)

Bij dit arrest gaat het om het voorrangsbeginsel. Het HvJ oordeelde dat het Europese recht voorrang heeft boven het nationale recht.

Arrest Simmenthal-II (1987)

In dit arrest oordeelde het HvJ dat het Europese recht ook voorrang heeft boven nationale constituties (grondwetten).

Conclusie

Het is door middel van deze Europese rechtspraak dat het Europese recht zowel rechtstreeks als met voorrang werkt in de diverse betrokken nationale rechtsorden. De reden daarvan werd ook verwoord in de hierboven genoemde uitspraken, namelijk:

  • de diverse aangesloten nationale staten hebben met de EU (c.q. EEG) een nieuwe supranationale rechtsorde in het leven geroepen, en hebben beoogd daarmee afstand te doen van een deel van hun soevereiniteit (Van Gend en Loos),
  • het is vanwege de eenheid en rechtszekerheid belangrijk dat het Europese recht in de diverse staten op dezelfde manier wordt uitgelegd en toegepast (Costa / ENEL).

Gezien deze beide uitgangspunten zal het niet verbazen dat de EU met afwijzing heeft gereageerd op de uitspraken van de Poolse rechter.

Vragen en advies

Hebt u vragen over het Europese recht? Neem dan contact met ons op:

Contact

Wij overleggen graag met u, praten graag over de ins and outs van uw situatie en geven u graag advies. Voor een kennismaking of eerste gesprek brengen wij geen kosten in rekening.