BESTUURSRECHT – Het verzoek om voorlopige voorziening

voorlopige voorzieningAls het goed is, ziet u onderaan een verleende omgevingsvergunning vaak staan dat deze direct kan worden gebruikt door de vergunninghouder, ook als u daartegen bezwaar maakt. Daarbij staat dan vaak dat indien u dat gebruik wilt voorkomen, u een verzoek om voorlopige voorziening kunt indienen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank. Daarbij vraagt u dan aan de rechter om de omgevingsvergunning te schorsen. Hoe gaat zo’n procedure nu eigenlijk in zijn werk?

Het schorsingsverzoek

De procedure over het verzoek om voorlopige voorziening is geregeld in titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In artikel 8:81, lid 1 van de Awb staat dat wanneer bezwaar is gemaakt tegen een besluit (zoals de verlening van een omgevingsvergunning) of wanneer beroep is ingesteld tegen een besluit op een bezwaar tegen de verlening ervan, een verzoek om voorlopige voorziening kan worden gedaan bij de voorzieningenrechter.

Dit wordt ook wel het connexiteitsvereiste genoemd: je kunt pas een verzoek om voorlopige voorziening indienen wanneer je tevoren (of gelijktijdig) een bezwaar dan wel beroep hebt ingediend tegen het besluit.

Als het goed is, wordt dat allemaal duidelijk gemaakt onderaan het desbetreffende besluit (de vergunning of het besluit op bezwaar tegen de vergunning). Daar wordt ook vermeld waar het bezwaar of beroep en het verzoek om voorlopige voorziening kunnen worden ingediend.

Vereisten en beoordeling

De wet stelt eisen aan het verzoek om voorlopige voorziening. Zo kan de rechter het verzoek alleen toewijzen als er sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van de verzoeker.

Pas als er sprake is van een spoedeisend belang zal de rechter het belang van de verzoeker inhoudelijk beoordelen. Hij zal zijn belang dan afwegen tegen dat van andere betrokkenen bij de vergunning (het desbetreffende bestuursorgaan en de vergunninghouder). Ook zal de rechter inschatten of het besluit in de bezwaarprocedure of in de beroepsprocedure stand zal houden.

Feitelijke gang van zaken

Wanneer bij de rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening wordt ontvangen, zal deze het bestuursorgaan (bijvoorbeeld burgemeester en wethouders van de gemeente, B en W) daarvan in kennis stellen. De rechtbank verzoekt B en W dan om de op de zaak (de vergunning) betrekking hebbende stukken bij haar in te dienen. De rechtbank zal ook een voorlopige inschatting maken van de spoedeisendheid. Voorstelbaar is dat de verzoeker die spoedeisendheid zelf al benadrukt in zijn verzoek, bijvoorbeeld door met grote kapitalen ‘SPOED!’ op het verzoek te plaatsen. Er wordt dan zo snel mogelijk een zitting geagendeerd.

Bij omgevingsvergunningen voor bouwen zal de spoedeisendheid over het algemeen niet extreem groot zijn. Anders gezegd: het bouwen, en met name het daarmee beginnen, zal over het algemeen niet snel leiden tot onomkeerbare gevolgen. Dat is natuurlijk anders bij slopen of bij het kappen van bomen.

Bij omgevingsvergunningen voor bouwen zal de rechtbank naar aanleiding van een verzoek om voorlopige voorziening veelal aan B en W vragen om aan te geven of de vergunninghouder direct uitvoering wil geven aan de vergunning, of dat deze wellicht bereid is om daarmee te wachten tot het moment waarop een besluit is genomen over het bezwaar of het moment waarop de rechter in de beroepsprocedure uitspraak heeft gedaan. Vaak zijn vergunninghouders daartoe wel bereid. Sterker, veel bouwers willen niet beginnen met de uitvoering van een project voordat de vergunning onaantastbaar is. Vaak is dat ook een voorwaarde voor financiering. Als de vergunninghouder aangeeft dat hij wel wil wachten met de uitvoering, dan is daarmee geen sprake (meer) van een spoedeisend belang en zal de rechter het verzoek afwijzen.

Uitlokken van een verzoek

Hoewel vergunninghouders vaak zullen wachten tot de vergunning onaantastbaar is, zullen zij soms doen voorkomen alsof zij meteen willen gaan beginnen met bouwen. Dat is met name het geval bij verzoeken om voorlopige voorziening die worden gedaan nadat beroep is ingesteld tegen een besluit op bezwaar tegen de omgevingsvergunning. Dat heeft te maken met de mogelijkheid tot ‘kortsluiten’ die in artikel 8:86 van de Awb staat. Dat betekent dat de voorzieningenrechter ook meteen uitspraak van doen over het beroep. Dat is voor vergunninghouders natuurlijk zeer efficiënt. Dan hoeven zij immers na de verzoekprocedure niet nog eens de beroepsprocedure af te wachten. Vandaar dat zij een verzoek om voorlopige voorziening soms proberen uit te lokken en aldus indieners van beroep soms trachten te bewegen om een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen, bijvoorbeeld door te doen alsof zij beginnen met de uitvoering van de bouw.

Vragen en advies

Over het verzoek om voorlopige voorziening valt nog veel meer te vertellen. Hebt u daar vragen over? Neem dan contact met mij op:

Contact

Ik overleg graag met u, praat graag over de ins and outs van uw situatie en geef u graag advies. Voor een kennismaking of eerste gesprek breng ik geen kosten in rekening.

Willem Brakenhoff